Lid worden

column
Column: Blitz

12 december 2016

Een warme septemberdag nog niet eens zo lang geleden.  Aangekomen op het vliegveld in Frankfurt am Main omstreeks 1200 uur vanuit Amsterdam; een klef broodje kaas achter mijn kiezen, weggespoeld met een slok lauw water. Lunch – complimenten van de KLM (Onze Koninklijke Luchtvaart Maatschappij wel te verstaan), en op mijn opklapbaar vliegtuigstoeltafeltje gesmeten door een stuurse tante van rond de vijftig met een routine die jaren van welgemikt gooi en smijtwerk op vliegtuigstoeltafeltjes getuigde.  Een schijntje van wat de service  ooit geweest was: aantrekkelijke jonge dames – allen onder de dertig – die keurig netjes een kompleet verzorgde maaltijd in record tijd serveerden aan alle passagiers, en desgevraagd rode of witte wijn er nog bij schonken ook. Ach ja...es war einmal, en komt never nooit meer terug.  Zucht!

Ik was op weg naar een vergadering in de hoofdvestiging van BASF in Ludwigshafen, een industriestad ongeveer 100 kilometer ten zuiden van Frankfurt.  Op naar de huurauto balies dus. Avis. Wie anders?  Herz misschien?  Nee, toch maar Avis. Zelf zeggen ze dat ze nummer twee zijn in de huurauto wereld. Slimme marketing truc, want iedereen heeft wel een zwak voor de onderdrukten in deze wereld. Men gunt het de grootste gewoon niet, ook al is nummer twee net zo duur of misschien nog wel groter dan nummer één.  Maar voor mij was het lood om oud ijzer; de baas, Siemens in dit geval, betaalt, dus wat kon mij het schelen. Avis dus.  Dat was trouwens de enige balie van de tien of zelfs meer autoverhuurders die bemand was, dus de keuze was niet zo moeilijk.  De rest was leeg.  Allemaal even lunchen waarschijnlijk.  Het was een Turk.  Sprak mij aan in vloeiend Duits, maar toch met een zweem van een Turks accent.  Ik versta wel Duits, maar durf het absoluut niet te spreken – veel te veel grammatika regeltjes die een gesprek zomaar een heel verkeerde wending kunnen geven als ze verkeerd gebruikt worden , dus viel ik maar terug in de internationale voertaal Engels.  En dat sprak hij ook, zij het met een vet accent, maar we hadden in ieder geval een gemeenschappelijk communicatiekanaal. 

“Ik wil een auto huren,”  verkondigde ik.  Overbodig natuurlijk want wat kwam ik anders doen? “Hmm. Is dat alles wat U bij U heeft?” Vroeg hij, nadat hij me van top tot teen had bestudeerd en gezien had dat ik alleen een laptoptas bij mij had. “Uh, ja.”Zei ik. “U komen terug hier vanavond?” Vroeg hij. “Ik heb een vlucht om zeven uur, dus: ja.” Antwoorde ik. “Dan U mogen dieze wel nemen,”zei hij met een grijns op zijn donkere gezicht, nadat hij mijn rijbewijs had gezien en een kopie ervan had gemaakt. Hij schoof mij een autosleutel toe met een zwart leren label en daarop een glanzend blauw en chroom embleem met de bekende driepuntige ster gevat in een circel. Ik had niets anders verwacht. Nou ja, een BMW misschien, of een Audi hooguit – maar hé, dit is Avis hè? Mercedes dus.  “Bedankt.” Zei ik terwijl ik de sleutel achteloos in mijn rechterzak stopte. Ik vulde de nodige formulieren in, ondertekende ze en haalde mijn Visa kaart door een gleuf in een pin automaat die hij mij toeschoof.  Alles gebeurde automatisch en zonder dat er nog een woord gewisseld werd. Ik had deze handelingen al tientallen keren gedaan. Hij natuurlijk al duizenden keren. “Auto im tiefgarage.”riep hij mij nog na, maar dat had ik al begrepen.  Ik wuifde met mijn hand in de lucht zonder op of om te kijken ten teken dat ik hem had gehoord. De lift naar de tiefgarage duurde een eeuwigheid, maar eindelijk gingen de deuren dan toch tergend langzaam open en een zee van vrijwel piksplinternieuwe auto’s werd zichtbaar. Audi’s, BMW’s, Opels, Volkswagens en zelfs Toyota Prius’s en Citroëns. Deze laatsten worden hier beschouwd als vloeken in de kerk, maar het prijsverschil tussen de Duitse trots en de Japanners, Fransen en anderen, zorgt toch dat menig Duitser zich even achter de oren krabt als hij over gaat tot de aanschaf van ein Auto

Ik keek naar het kenteken nummer op de achterkant van de zwarte label van mijn autosleutel. Het zou mij een hele middag duren om de desbetreffende Mercedes te vinden in deze eindeloze zee van glas, rubber en metaal, totdat ik het heldere idee kreeg om het trucje toe te passen wat ik in vele TV series had gezien.  Ik drukte op de automatische ontgrendeling van de sleutel – en ja hoor, ergens in de verte hoorde ik een heel kort toetertje en gingen er lichtjes knipperen. Ik kon mijn ogen bijna niet geloven toen ik de auto naderde.  Een cabrio. En niet zomaar eentje, maar een glilmmende zwarte Mercedes SLK 350 – S  sport.

Geen wonder dat de Turkse balie medewerker grijnsde toen hij mij de sleutel toeschoof.  Hij dacht zeker mij een enorm plezier te doen, terwijl hij toch duidelijk zag dat ik over de twee meter was. Had hij ook op mijn rijbewijs kunnen zien trouwens. Hoe kom ik in hemelsnaam in dat racemonster? Ik had de neiging om rechtsomkeer te maken en op hoge poten mijn beklag te doen en dat ik niet gediend was van dit soort grappen. Maar Duitsers maken geen grappen. Ook geen Turkse Duitser als hij goed ingeburgerd is. Dus dit was serieus bedoeld.  Zuiver mij een plezier doen om even de blitz te maken op de Duitse Autobahn en zonder snelheidsbeperking. Ik stond in dubio. ‘Doet-ie-’t of doet-ie –’t niet?’, dacht ik bij mezelf. “Ik doe ‘t” zei ik hardop. “Kans van m’n leven. Wanneer krijg ik ooit nog eens zo’n kans om met een splinternieuwe Mercedes sports – een cabrio nog wel – legaal over de snelweg te scheuren met een dikke twee honderd kilometer per uur? Nooit meer!”

Eens, in een heel ver verleden, toen de rijkspolitie in Porches reed, er nog geen snelheidslimiet op de Nederlandse snelwegen gold, en je nog naar hartelust in de Elsevier gids kon zoeken naar allerlei aftrekposten voor je belasting aangifte, heb ik een wedstrijdje gehad met twee dienders van de rijkspolitie in hun snelle bolide.  Op de A4 vanaf het verkeersplein Leidschendam (het tegenwoordige Prins Clausplein) tot de afslag Schiphol. Ik had toen een Ford Capri met een verlengde slee onder mijn stoel zodat ik er in pastte, en moest een vlucht halen naar Londen. Het was half zes ’s-morgens  - geen kip op de weg gezien vanaf het verkeersplein tot aan de afslag Schiphol (Zo lang geleden dus). Ik durfde niet op de kilometerteller te kijken toen, maar ik kon het gaspedaal niet verder meer doordrukken. Het was letterlijk plankgas met mijn bescheiden Ford Capri.  De kilometerteller kon tot 240 km/uur gaan en we deden zeker 220 km/uur als het niet meer was.  Maar toen ik het eerste bord voor Schiphol zag, gaf ik een teken aan mijn race-compagnon in de Porsche dat ik naar het vliegveld moest. Hij gaf mij een teken dat hij het begreep, gaf een dot gas en scheurde er vandoor alsof ik stil stond. Ik nam de Schiphol uitgang met zeker 180 km/uur en kon amper nog remmen voor de bocht naar het parkeerterrein. De rijkspolitie rijdt allang niet meer in Porsches en er geld overal een snelheidslimiet op de Nederlandse wegen – en de belastingdienst heeft het er ook niet leuker op gemaakt.  Ach ja....es war einmal. Dat zal de rijkspolitie ook wel denken me dunkt.

Ik keek naar mijn gewonnen prijs en overwoog hoe ik er in zou komen. De deur was geen optie – veel te laag. Maar het was een cabrio, dus een grote stap en ik stond bovenop de bestuurders stoel.  Ik smeet mijn laptoptas op de passagiersstoel en zette de daling in naar de kuipzitting. Benen inmiddels op de vloer, handen aan het kleine stuurwiel, en mijn zitvlak pijnlijk gebalanceerd op de rugleuning van de bestuurdersstoel. Even voor de onwetenden:  de stoelen in een sportwagen kunnen niet heen of weer, dus je bent genoodzaakt je aan te passen volgens het ontwerp van de bouwer.  Deze blitzwagen was helaas geen uitzondering op deze regel. De ontwerper was dus een dwerg. Heel langzaam schoof ik naar beneden tot halverwege de zitting. Ten eerste zaten mijn knieën klem bij het dashboard, ten tweede had ik vergeten – stom, stom stom – om mijn colbertje uit te trekken, dat nu mijn verdere indaling belemmerde.  Tijdens mijn indaling haakte het aan de bovenkant van de puntige rugleuning van de bestuurdersstoel, stroopte op, en hield mij nu als in een soort strop gevangen.  Met veel pijn en moeite heb ik me weer uit mijn benarde positie weten te wurmen, en stond ik wederom rechtop op de bestuurdersstoel.  Ik rukte mijn colbertje af en smeet het op de passagiersstoel. Mijn portefeuille viel er uit, en het cash geld, een paar foto’s van mijn vrouw en kinderen, en de verzameling papier die zoal in ieder’s portefeuille zit, dwarrelde ergens op de vloer.  Maakte niet uit.  Ik had andere prioriteiten. Het herberekenen van de kans dat ik in de stoel kwam, met mijn knieën onder het dashboard en mijn voeten op zijn minst op de pedalen. Langzaam zette ik de daling weer in en gleed moeizaam maar wel in één keer naar beneden tot mijn voeten de pedalen reikten en mijn knieën inderdaad onder het dashboard kwamen, mits ik mijn benen wijd gespreid hield. 

Nu is het zo, zoals ik al eerder zei: óf de ontwerper van deze sportwagen moet een dwerg zijn geweest, óf men heeft de doelgroep voor sportwagens aangepast voor piepjonge vrouwtjes – niet langer dan 1.40 meter en met wulpse rondingen op hun zitvlak.  De randen van het kuipstoeltje raakten dus precies mijn zitbeen aan beide kanten en ik zweefde als het waren een paar centimeter boven de stoelzitting.  Pijnlijk, maar het moest er maar mee doorgaan.  Ik moest en zou dit racemonster op de Autobahn krijgen en met minstens 200 km/uur binnen een half uur naar Ludwigshafen rijden. 

Alsof ik in een botsautootje zat op de kermis – zo voelde ik me en zo zag het er ook uit.  Ik kon de pedalen amper bedienen en kreeg kramp in mijn benen door de ongelukkige houding. Mijn billen werden hoe langer hoe meer gevoelloos door de druk van de kuipstoelranden op mijn zitbeen, en de versnellingspook zat precies onder mijn rechterknieholte want ik moest natuurlijk wijdbeens de pedalen bedienen. 

Maar ik zat, en het volgende probleem kondigde zich al aan. De sleutel zat nog in mijn rechterbroekzak. Alleen door mijn benen te strekken kwam ik net genoeg omhoog om mijn hand in mijn zak te steken en de sleutel er uit te halen. De ring waar hij aan zat samen met het stijlvolle label bleef steken aan de binnenkant van mijn zak, zodat die binnenstebuiten keerde. Huissleutels, een paar euro in kleingeld en een stel manchetknopen rolde alle kanten op.  Manchetknopen? Hoe kwamen die nou weer in mijn zak? Maakte niet uit – de sleutel had ik. Ik stak het felbegeerde glimmende object in het contact, draaide het een kwartslag, en het wilde beest werd met een monsterachtig gebrul wakker. Heerlijk! Even alle knoppen en hendels uitproberen, even een paar keer het gebrul in mijn oren laten horen, toen heel voorzichtig in z’n versnelling gezet en uiterst langzaam uit het parkeervak geschoven, op weg naar de uitgang. 

Volgende probleem: de uitrijkaart.  Ik stond voor de slagboom en werd weer even teruggebracht tot de realiteit. Het kaartje lag natuurlijk in het verste hoekje op de vloer van de passagiersstoel. Daar beland nadat mijn portefeuille uit mijn colbert was gevallenl, die ik in mijn frustratie had uitgetrokken en op de passagiersstoel had gesmeten.  In z’n vrij gezet, en in mijn benarde positie geprobeerd het papiertje te bemachtigen.  Hier was mijn 2.02 meter duidelijk in het voordeel.  Ik had het te pakken, maar moest met veel pijn en moeite weer in mijn uitgangspositie komen, met mijn gevoelloze billen, een rug die zich ondertussen in de vreemste bochten had moeten wringen, kramp in mijn beide benen en een helse pijn op mijn knieschijven want die zaten ondertussen als in een bankschroef tegen de onderkant van het dashboard geklemd. Ondertussen zaten er zeker vijf ongeduldigen achter mij te toeteren en obscene gabaren te maken. Soms, heel soms, wou ik dat ik een ietsje korter was, al was het alleen maar om in snelle bolides te kunnen crossen.

De dollemansrit met mijn botsautootje op de Autobahn zal ik je besparen.  Ik zoefde met een rustige 240 km/uur richting Ludwigshafen, terwijl de dikke BMW’s, Audi’s, een Porsche en natuurlijk de grote Mercedeses mij met zeker 280 km/uur voorbij raasden. Ik ben geen Formule 1 coureur, dat had ik al lang vastgesteld in mijn kleine karretje op de grote-mensen-snelweg.  Ik draaide de parkeerplaats op van het immense BASF bedrijf, woonde een oersaaie vergadering bij waar ik niets, maar dan ook niets aan bij te dragen had behalve mijn acte de presence in het veeltallige Siemens contingent.  Zo gaat het in al dat soort vergaderingen.  Twee of drie deelnemers voeren de discussies, de rest van de deelnemers is ballast  dat voor het noodzakelijke overwicht zorgt. Om 16.30 uur was het over en ik liep met een Belgische ballast collega richting het parkeerterrein. “Vliegt ge nog terug naar Amsterdam vanavond?” vroeg hij. “Yep. Heb een vlucht om zeven uur, maar dat haal ik makkelijk met mijn SLK 350 sports.” “Amai! Gehuurd?” vroeg hij ongelovig, “ge houd me voor den dolle. En ik moet dat geleuven?” “Echt waar, kom maar mee, zal ik het je laten zien.” “Nee, nee. Ik moet mij ook haasten om mijn vlucht naar Brussel te halen. Mijn Ferrari staat in het volgende parkeervak.  Ge kunt het net niet zien.” Zei hij lachend.  We schudden elkaar de hand en we namen afscheid.

Ik reed met het zelfde slakkengangetje van 240 km/uur terug naar het vliegveld van Frankfurt, parkeerde de wagen in de Tiefgarage en gaf de sleutel aan de dienstdoende baliemedewerker.  Mijn Turk was al vertrokken.  Het had even wat voeten in de aarde gehad, de voering van mijn colbert was gescheurd, ik had zeker vijf euro in kleingeld verloren onder de veel te krappe stoeltjes, mijn manchetknopen was ik voorgoed kwijt, ik had een stekende pijn in mijn achterste door de napijn van de kuipstoeltjes,  mijn hele onderkant en rug was verkrampt door de ongelukkige houding in mijn botsauto’tje, en mijn knieschijven waren nagenoeg kapot. Maar ik had op mijn manier met een bloedgang over de Duitse Autobahn gesjeest in een piksplinternieuwe Mercedes 350 SLK sports cabrio. 

Geen stoelreserveringen deze keer, dus wie het eerst kwam, die het eerst maalde.  Ik was natuurlijk te laat voor de selectie van de beste stoelen in de Boeing 737 terug naar Amsterdam, ingeklemd tussen een Sumo worstelaar van 300 kilo en een vrouw van minstens evenveel kilo’s die de hele weg van Frankfurt naar Amsterdam zeker drie kilo Granny Smith appels naar binnen zat te werken. Voor me zat een Engelsman geërgerd vruchteloze pogingen te ondernemen om zijn stoel naar achteren te krijgen.  Mijn knieschijven maakte overuren want ik had zijn stoel klem.  Had geen keus – vliegtuigstoelen worden steeds krapper bemeten lijkt het wel.  Gebroken kwam ik in Amsterdam aan en ik had de neiging om mijn Ford Focus met zijn in hoogte verstelbare stoelen en verlengde slee te zoenen toen ik instapte om naar huis te rijden. De volgende ochtend bij de koffie automaat vertelde ik mijn collega’s over mijn vergadering bij BASF. Nou, niet de vergadering, dat interesseerde niemand.  Maar wel dat ik de blitz had gemaakt en met 240 km/uur over de Autobahn had gescheurd in een splinternieuwe gehuurde Mercedes SLK sports cabrio. “Ja, ja. Je kan mij nog meer vertellen...” was de teneur van hun reactie. Ze geloofden me niet.  Niemand geloofde me.  Ik had een heldendaad verricht en er was niemand maar dan ook niemand die het gezien had.  De enige die het had kunnen bevestigen was mijn Belgische collega van het kantoor in Brussel, maar die had haast en geloofde me evenmin. Ik voelde me net als die man die heel vroeg op een zondagochtend helemaal in z’n uppie even een balletje ging slaan op de golfbaan.  Hij sloeg af op de tee met zijn houten driver – zeker honderd vijftig meter naar de eerste hole. Hij kon zijn ogen niet geloven toen hij bij de hole kwam en zag dat hij de befaamde “hole-in’-one” had geslagen.  Hij rende naar huis en schreewde de hele buurt bij elkaar: “Ik heb een hole-in-one”; ik heb een hole-in-one.”  Maar niemand geloofde hem.

Bert Oldenhuis